Een schildklierknobbeltje

In Nederland heeft ongeveer 1 op de 20 volwassenen een voelbare knobbel (‘nodus’) in de schildklier. De kans is erg klein dat deze kwaadaardig is (schildklierkanker). Om dit te onderzoeken, wordt allereerst gebruik gemaakt van een echo-onderzoek en een punctie (prikje in de schildklierknobbel). De cellen van de punctie worden onder de microscoop bekeken. Bij de meerderheid van de mensen kan zo de diagnose worden gesteld en is het knobbeltje goedaardig.

Helaas kan de punctie een goedaardige knobbel soms niet goed onderscheiden van een kwaadaardige. Artsen noemen dit resultaat “niet-conclusief” of “Bethesda klasse 3” of “Bethesda klasse 4”. Ook uit uw schildklierknobbeltje is één of meerdere malen een punctie genomen en kan het onderscheid niet goed gemaakt worden. In zo’n geval kan de diagnose pas gesteld worden door via een operatie de helft van de schildklier met daarin het knobbeltje te verwijderen. Bij ongeveer 1 op de 4 van deze patiënten blijkt dan sprake van schildklierkanker. Bij schildklierkanker moet in de meeste gevallen nog een tweede operatie plaatsvinden waarbij ook de rest van de schildklier wordt weggehaald. Daarna volgt een nabehandeling met radioactief jodium. Deze behandeling kan de ziekte meestal genezen. Er zal wel regelmatig controle plaatsvinden. Ook moeten deze mensen het hele leven tabletten met schildklierhormoon slikken, omdat er geen schildklier meer is.

Maar, bij de grote meerderheid (3 op de 4 mensen) blijkt na de operatie dat de schildklierknobbel goedaardig was. Achteraf gezien was die operatie voor hen dus niet nodig. Met de operatie is wel een litteken gemaakt in de hals. Daarnaast is er altijd een risico op complicaties. Hoewel deze zeldzaam zijn bij schildklieroperaties, is er risico op bijvoorbeeld een (na-)bloeding, infectie of (blijvende) heesheid. Ook is het soms nodig om levenslang tabletten met schildklierhormoon te slikken.

 

Wat is het doel van de EfFECTS-studie?

De EfFECTS-studie onderzoekt of het mogelijk is het aantal onnodige schildklieroperaties te verminderen (“onnodig” omdat het knobbeltje achteraf goedaardig bleek te zijn). Uit recent wetenschappelijk onderzoek blijkt dat een “PET/CT-scan” een heel geschikt onderzoek is om voorafgaand aan een schildklieroperatie die mensen aan te wijzen bij wie de kans op een kwaadaardig knobbeltje heel klein is (kans minder dan 2%). Deze mensen zouden dan geen onnodige operatie hoeven ondergaan. Momenteel zijn er echter nog onvoldoende gegevens om een PET/CT-scan al als standaardzorg aan te bevelen bij patiënten zoals u.

In de EfFECTS-studie controleren we niet alleen of een PET/CT-scan inderdaad goed kan onderscheiden tussen een goed- en kwaadaardig knobbeltje. We kijken ook of daarmee de kwaliteit van leven van patiënten verbetert, zij minder dagen in het ziekenhuis opgenomen zijn en sneller hun dagelijkse werkzaamheden kunnen hervatten. Tenslotte berekenen we het effect op de zorgkosten van de extra PET/CT-scans ten opzichte van minder schildklieroperaties.

 

 

(Deze informatie komt overeen met de Informatiebrief voor Proefpersonen, v20160701. U kunt de volledige Informatiebrief voor Proefpersonen ook hier downloaden.)